27 juni 2008 – Congo

Hier in Afrika zijn veel dingen slecht geregeld of niet geregeld. We leren daar mee omgaan, soms irriteren we ons eraan, maar het heeft ook z’n charmes. Totdat we op de veerboot van Kinshasa naar Brazzaville stonden. Daar ging het voor ons te ver. Daar was de chaos compleet en de arme bevolking de dupe. Ze werden de veerboot op en af geslagen, geschopt en geduwd. Ze moesten, naast het geld voor een ticket, extra smeergeld betalen om aan boord te komen en de mensen die dat niet konden of wilden werden zonder pardon teruggestuurd.
Zodra de veerboot aankomt probeert iedereen er als eerste op of af te komen en eenmaal op de veerboot gaat iedereen aan één kant staan, de kant waar ook alle auto’s heen gedirigeerd zijn en waar dus al het gewicht is.
We hebben gezien dat een blinde man zijn begeleidster kwijtraakte doordat een bewaker van de veerboot op hem in begon te meppen. Een jongen met een enorme lading goederen op zijn nek, die hij met z’n handen in bedwang moest houden, werd van achteren beroofd van zijn heuptasje door een andere bewaker van de veerboot.
In godsnaam, breng systeem aan en doe wat aan de corruptie! Zet wat hekken neer, laat mensen in een rij wachten en ze hoeven niet meer als beesten die veerboot op en af gedreven te worden. Vreselijk.

Na een avondje erg foute kroeg in Matadi besloten we de volgende dag lekker vroeg te rijden zodat we bijtijds in Kinshasa aan zouden komen. Helaas was er één of andere oefenoptocht in Matadi waardoor de weg naar Kinshasa afgesloten was. Maar uiteindelijk, na heel lang rondrijden en nog langer stilstaan in de files, vonden we gelukkig een sluiproute waarmee we de stad uitkwamen.

[photopress:DSC_6098.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_6070.JPG,thumb,pp_image][photopress:DSC_5867.JPG,thumb,pp_image]

De weg naar Kinshasa was mooi, maar droger dan we hadden verwacht. Het probleem met de weg was echter dat het voor geen meter opschoot. De smalle asfaltweg kronkelde door een gebergte waardoor inhalen onmogelijk was en we de helft van de tijd achter aftandse, walmende en niet onderhouden vrachtwagens moesten rijden. We werden dan ook nog eens non–stop aangestaard door de dertig lifters op het dak van de vrachtwagens die precies bij ons naar binnen konden kijken.
Om de paar kilometer was er een dorp waar we iedere keer dwars doorheen moesten rijden, met de nodige opstoppingen, corrupte politiechecks en hordes verkopers die met alle geweld een kip of trosje bananen aan ons wilden verkopen.
Uiteindelijk was het dus bijna donker toen we Kinshasa inreden en na even zoeken de protestante missie vonden waar we mochten kamperen.
De missie lag in een goede wijk vanwaar je gemakkelijk de stad in kon lopen om wat boodschappen te doen en rond te kijken.Toch een gaaf gevoel om door Kinshasa te struinen!
Omdat we vanuit Nederland zoveel berichten kregen over ‘onze jongens’ besloten we die zaterdag ons best te doen om ergens de EK wedstrijd Nederland – Rusland te kunnen zien. Vanuit een terrasje besloten Peter en Floris op verkenning uit te gaan, maar binnen een halve minuut stonden ze alweer naast ons tafeltje. Op straat was een vechtpartij uitgebroken tussen een aantal hard schreeuwende vrouwen in minirok en de politie kwam net aangescheurd toen Peter en Floris langs kwamen lopen. Toen er ook nog eens vier agenten met machinegeweren de auto uit stormden, besloten ze dat het toch niet helemaal het goede moment was om als toerist eens lekker rond te lopen. Deze actie weerhield ons er ook van om na de wedstrijd, toen ‘ onze jongens’ verloren hadden, de straat op te gaan om te gaan rellen.

Na een lange nachtrust, een stevig ontbijt en wat warming-up oefeningen begaven we ons op maandagochtend naar de haven om de beruchte overtocht naar Brazzaville te maken.
Met ons is het uiteindelijk goed gekomen. Floris en ik waren voor de hele overtocht, inclusief belastingen, niet-bestaande belastingen en smeergeld, ongeveer 130 USD kwijt en met dat resultaat waren we tevreden. Peter en Nicole moesten iets minder betalen, maar die hebben ook een kleiner voertuig. Doordat we met z’n vieren waren kon er steeds iemand achter ‘ de man met de paspoorten’ aanrennen, iemand achter ‘ de man met de carnets’ en konden we tegelijkertijd de voertuigen in de gaten houden. Het probleem bij grenzen en havens (en dat hadden we deze keer dus dubbel op) is dat het altijd ontzettend veel ongure en onbetrouwbare types aantrekt, naast alle corrupte ambtenaren die er sowieso werken. Een paspoort afgeven aan de verkeerde kan je dus goed in de problemen brengen en je een hoop geld kosten.

Ergens in de middag kwamen we aan bij de grote katholieke missie van het prettige en relaxede Brazzaville. Na een nachtje daar te hebben gekampeerd vonden Peter en Nicole bij toeval een leukere kampeerplek ergens anders, op de parkeerplaats van een Vietnamees restaurant en hotel. Op de ‘ kampeerplek’ verblijven meerdere reizigers; een Engels stel dat met een landrover van Engeland naar Zuid – Afrika rijd, een Amerikaan op een motor die dezelfde route als ons rijd, alleen dan de andere kant op en een Zuid – Afrikaan die op de fiets (!) van Zuid-Afrika naar Marokko rijd. Ook Peter en Sabine zijn gistermiddag hier gearriveerd en met een groep van tien reizigers vermaken we ons erg goed.
Het Vietnamees eten is ontzettend lekker en een welkome afwisseling. De eigenaren zijn bovendien erg vriendelijk en behulpzaam en laten ons hier gratis verblijven. Helemaal goed dus!

[photopress:DSC_6008.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_6007.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_6006.JPG,thumb,pp_image]
Inmiddels hebben we onze visa voor Gabon en Cameroen op zak en zijn we klaar om Congo verder in te rijden. Morgenochtend vertrekken we vanuit Brazzaville, zodat we vanmiddag nog de tijd hebben om van de leuke en rustige stad te genieten.

GPS # S 4 ° 16.401′, E 15 ° 16.662′

19 juni 2008 – DRC

Pal naast een schoolplein en dus in een oorverdovende herrie en begluurd door honderd paar nieuwsgierige kinderoogjes, staan we te kamperen. We zijn in Matadi, de eerste stad van de Democratic Republic of Congo.

Na een paar stranddagen en een ochtendje winkelen in Benguela en Lobito, vervolgden we voor het eerst met z’n zessen onze weg richting Luanda. Aan de kust hebben we een paar keer prachtig kunnen kamperen, al was de zee vaak te ruig om te kunnen zwemmen.

Bij de ‘Quedas de Agua da Binga’ (watervallen – totaal verpest door elektriciteitskabels die er dwars voor lopen en al het afval in en rond het water), besloten Peter en Sabine dat zij toch wat meer van het binnenland van Angola wilden zien en dat ze sowieso in een rustiger tempo wilden reizen.

[photopress:DSC_5548.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_5671.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_5640.JPG,thumb,pp_image]
Zo lieten we Peter en Sabine achter bij de watervallen en belanden wij samen met Peter en Nicole in Luanda. Een indrukwekkende stad waar aan alle kanten gebouwd en ontwikkeld werd. We zijn in een enorme nieuwbouwwijk geweest die niet onder doet aan een nieuwbouwwijk in Nederland en waar sinds kort het enige winkelcentrum van Angola staat met een grote supermarkt.
We vonden een kampeerplek op de parkeerplaats van de ‘Yacht club’, midden in het centrum en aan het water. Vanaf ons plekje hadden we een erg mooi zicht op de sky-line van Luanda. Helaas werd Floris ziek en hebben we niet veel van de stad kunnen zien.
Om Luanda uit te komen moesten we zeker twee uur door sloppenwijken rijden en dat was een schokkende ervaring. Het was verschrikkelijk om je medemens in zo’n ellendige situatie te zien leven. Tussen het afval, met veel te veel mensen op elkaar en zonder enige voorziening. Vuil drinkwater, eenzijdig eten, werkeloosheid, te weinig dokters, noem alle problemen maar op. Natuurlijk wisten wij al eerder van deze problemen en hebben wij in Nederland op televisie beelden gezien van sloppenwijken, maar het lijkt pas echt tot ons door te dringen nu we het met eigen ogen zien.
We voelden ons overigens ook erg onveilig in de sloppenwijken. Doordat er veel te veel auto’s door de smalle hoofdweg van Luanda geperst moesten worden, stonden we voornamelijk stil of kwamen stapvoets vooruit. Een gemakkelijk doelwit dus voor iemand met slechte bedoelingen. En aangezien wij zoveel bezitten in verhouding tot de mensen uit de sloppenwijken, waren we bijna verbaasd dat we heelhuids de stad uit reden.

[photopress:DSC_5596.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_5814.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_5790.JPG,thumb,pp_image]
Het noorden van Angola is prachtig. Hier begint de jungle en het donkere hart van Afrika. Bananenbomen, palmbomen, bomen van tien meter hoog verstrikt in lianen, kronkelende riviertjes met dichte begroeiing langs de oevers. De weg was ontzettend slecht en soms niet-bestaand. Doordat het een bergachtig gebied is, spoelt het water in het regenseizoen delen van het zandpad weg en laat diepe geulen achter. De Unimog had het moeilijk, maar heeft het gered.

En zo reden we gistermiddag een bocht om en stonden we opeens oog in oog met de machtige River Congo. Echt een te gek moment, uitkijken over de rivier die je kent van spannende ontdekkingsreizen en die synoniem staat voor ‘the jungle’, oerwoud, inheemse volkeren, gebakken apenarmpjes, malaria, moessons en uitgeholde boomstammen die over het water varen.

[photopress:DSC_5767.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_5860.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_5845.JPG,thumb,pp_image]
De grensovergang van Angola duurde weliswaar lang, maar verliep goed. Niemand probeerde geld van ons af te troggelen en de procedures verliepen eerlijk.
Na even zoeken vonden we in Matadi een kampeerplek op het terrein van de Katholieke Missie. De missie dient ook als school en zo zijn we dus omsingeld door steeds brutaler wordende kinderen.
Gisteren hebben we in een lokaal eettentje gegeten en ons beeld van DRC is tot nu toe erg positief. We zijn benieuwd!

GPS # S S 5 ° 49.873′, E 13 ° 27.664′

8 juni 2008 – Angola

Het is bijzonder om in Angola te zijn. Om hier rond te rijden. Eén van de zeer weinige toeristen in een land waar het na jarenlange oorlog en ellende pas sinds 2002 vrede is.

In Ondwanga kregen we het advies van een Zuid-Afrikaan om niet de grote grensovergang te nemen, maar een kleine, 40 kilometer ten oosten van Ruacana. Dit zou ons een boel gezeur, gestress en waarschijnlijk geld schelen en bovendien liep er een goede track vanaf de kleine grensovergang naar de hoofdweg.
Een goede tip, want binnen een half uur hadden we alle grensformaliteiten achter de rug en stonden we in Angola. Een recordtijd in Afrika. De Angolese ambtenaren waren bovendien ontzettend aardig, al ging de communicatie wat moeilijk door de taalbarrière. Sabine spreekt als enige redelijk Spaans, wat dan weer een beetje op Portugees lijkt en voor de rest is het handen- en voeten werk. En veel glimlachen.

De track voerde ons door een vlak, begroeid land met veel boederijtjes. Doordat we overal koeienstront en hoefafdrukken zagen, durfden we van de track af om een plekje te zoeken voor de nacht. In Angola liggen nog landmijnen, al zijn ze hard bezig om ze te verwijderen, en het is dus gevaarlijk om zomaar van de weg te gaan.
De volgende dag bereikten we de hoofdweg en het eerste dorpje met een tankstation en een bar. Bier hadden ze, maar diesel niet en aangezien het tweede toch net iets belangrijker is dan het eerste, waren we wat bezorgd. Er werd ons verteld dat er diesel in Lubango zou zijn, 400 kilometer verder, en daar hoopten we dan maar op.

[photopress:DSC_5244.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_5216.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_5181.JPG,thumb,pp_image]
De tocht naar Lubango was mooi en interessant. De hele weg is onder constructie, zowel de Portugezen als de Chinezen zijn druk bezig om het stuk van Luanda naar de grens met Namibie te asfalteren zodat Angola zich (verder) kan ontwikkelen. Langs de weg wonen overal wel mensen en hun armoede is schrijnend. Ze wonen in hutjes van houten palen en plastic of in één van de vele vervallen huizen uit de Portugeese tijd. Ondanks de armoede wordt er door iedereen naar ons gelachen en gezwaaid. Ook valt het ons op dat de mensen hun erf, kleding en zichzelf schoon en netjes houden. Wat jammer is, is dat ze al hun afval van het erf op de straat vegen en het daar vervolgens laten liggen.

Lubango bleek een grote, drukke stad wat wij niet hadden verwacht. Ze hadden er veel, maar niet het gene wat wij nodig hadden, namelijk diesel. Na een hectische zoektocht door smalle straatjes en onoverzichtelijke kruispunten hebben we het opgegeven en zijn de stad uitgereden. We werden voor de tweede maal gestopt door de politie, maar ook deze keer was het na een langdradig registratie proces en wat grapjes goed.
We vonden een niet zo relaxed plekje voor de nacht, te dicht bij de hoofdweg en gehuld in stof van de vrachtwagens die de hele nacht langs bleven komen.
We vervolgden onze tocht richting Benguela en vonden in een piepklein dorpje eindelijk een tankstation met diesel.
Na twee dagen gehobbel over enorm stoffige wegen kwamen we aan in Benguela, een grote stad aan de kust. Daar hebben we wat inkopen gedaan en vervolgens zijn we de stad uitgereden om een goede kampeerplek op het strand te zoeken.

En daar staan we nu. Gisteren hebben we Peter en Nicole getroffen in Baia Farta, een dorpje verderop. We hadden het idee om daar een paar dagen te gaan staan, maar het dorpje bleek een grote stinkende vuilnisbelt te zijn met drie visfabrieken op het strand. Toch maar weer terug naar ons oude plekje dus.
Peter en Nicole konden ons niet bij de grens ontmoeten, omdat ze een ‘klein, technische probleempje’ hadden in Namibie; anderhalve dag tot aan de motorkap in de modder vast gestaan en de motor van hun lier doorgebrand.
De Oostenrijkse Peter heeft de eerste dag een inktvis gevangen die erg goed smaakte, maar voor de rest gaat het vissen nog niet zo goed en hebben we vis moeten kopen. Vanmiddag zijn Floris en de Nederlandse Peter met onze oude klamboe het water in geweest, wat vooral erg lachwekkend was en geen vis op leverde.

[photopress:DSC_5486.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_5469.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_5463.JPG,thumb,pp_image]
Morgen trekken we weer verder, richting Luanda. Maar voor vanavond eerst weer een kampvuur, een heldere sterrenhemel en wat verse vis. Wat een leven.

Namibië – 29 mei 2008

Vanuit een stoffig en rommelig Oshakati, in het noorden van Namibië, een volgend bericht.

De dagen in Swakopmund hebben we rustig doorgebracht. We hebben veel gewandeld langs het strand, vooral met onze gedachten bij Beau en bij de gebeurtenissen van die week daarvoor. Uiteindelijk besloten we door te rijden en samen met de mist en laaghangende bewolking lieten wij ook onze treurige gedachten achter in Swakopmund.

In Spitzkoppe scheen de zon! Dit prachtige granietgebergte is zo’n 135 miljoen jaar geleden ontstaan bij het uiteen vallen van het eerste ‘supercontinent’ op aarde. Op het grote terrein, bestaande uit ronde heuvels en bergen en rotsblokken die her en der neergegooid lijken, mag gekampeerd worden. Het gebied leent zich uitstekend voor een wandeling en als je op één van de heuvels klimt, kun je van een hele mooie zonsondergang genieten.

[photopress:DSC_4572_1.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_4822_1.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_4913_1.JPG,thumb,pp_image]

Van Spitzkoppe zijn we in een dag naar Windhoek teruggereden, waar we weer ons vertrouwde plekje op de backpackers ‘The Cardboard Box’ innamen. Dit keer stond het regelen van een visum voor Kongo op het programma, moesten we wachten op een creditcard vanuit Nederland en natuurlijk weer van allerlei spulletjes kopen. Tussen alle bedrijven door hebben we de achtste mei mijn verjaardag gevierd, door heerlijk uit eten te gaan en naar de bioscoop.
Verder hebben we Peter en Nicole ontmoet in Windhoek. Een Nederlands stel dat na vier jaar wonen en werken in Tanzania met een Toyota Landcruiser via West Afrika naar huis wil rijden. Aangezien we dezelfde kant opgaan, was het snel besloten en beklonken; zij zouden ook meerijden en ons reisgezelschap tot aan Nigeria bestaat nu dus uit zes mensen. Nooit gedacht dat er zes mensen bestonden die zo gek waren om tijdens het regenseizoen door Gabon en Kameroen te rijden, maar mooi dat ze elkaar tegen zijn gekomen!

Nadat alles in orde was gemaakt en de Unimog volgestouwd met blikvoer en pakken spaghetti, konden we Windhoek weer verlaten. Al met al toch bijna een maand doorgebracht in deze gekke, Duitse stad.

Na een nachtje in Okahandja kwamen we uiteindelijk in Outjo uit, bij Dion. Dion is een Zuid-Afrikaan van middelbare leeftijd die het, zoals ontzettend veel andere blanke Zuid-Afrikanen, niet meer zag zitten in zijn eigen land. Nu is hij, samen met zijn vrouw, sinds een maand eigenaar van het enige hostel dat Outjo rijk is. Zijn vrouw was toen wij er waren in Zuid-Afrika en Dion hield er duidelijk niet van om alleen te zijn. Hij nodigde ons uit voor een braai en zo zaten we s’ avonds samen met Dion en drie kennissen van hem, aan tafel. Een van de kennissen was Mike, de oprichter van een safari bedrijf in Namibië. De andere was de vorige eigenaar van het hostel die tevens onderzoek doet naar de Namibische woestijn olifanten. De derde persoon was zijn assistente uit Florida. Een leuk en interessant gezelschap.
Vanuit Outjo hebben we het Etosha National Park bezocht, maar omdat we vanwege Duko (die we achterin hadden verstopt) maar een halve dag konden blijven, viel het bezoek wat tegen. Het gedeelte wat wij hebben kunnen zien – het park is 20.000 km2 groot – was vlak en droog en er waren weinig dieren te zien. Bovendien hadden we heel erg gehoopt om een leeuw te kunnen spotten, maar dat is niet gelukt.

Nadat we ons in Outjo nog even tegoed hadden gedaan aan de goddelijke chocoladegember koeken van het plaatselijke, Duitse bakkertje, zijn we doorgereden naar Kamanjab. In Kamanjab bevond zich de Falkenberg garage, gespecialiseerd in oude Unimogs. Een paradijsje voor Floris dus. De eigenaar (Lars) heeft, in ruil voor een koppelingsplaat die Floris niet kon gebruiken, de hele Unimog nagekeken en hier en daar wat losgetrilde bouten aangedraaid, oliepijlen gecheckt en extra onderdeeltjes meegegeven. De Unimog kreeg nog een goede schoonmaakbeurt en samen met zijn eigenaar kwam hij weer glimmend naar buiten.

In Palmwag, onze volgende stop, hebben we een hele mooie wandeling gemaakt, over heuvels en door het kniehoge, gele gras wat nu overal in Namibië groeit. Onderweg zagen we zebra’s en kudu’s, tot groot genoegen van Duko. Wat minder leuk is zijn de slangen. Gelukkig hebben we ze de laatste tijd alleen onder het rijden gezien, veilig vanuit de Unimog, maar ze schijnen nu zeer actief te zijn en op zoek naar een plek om te overwinteren. Op de camping in Palmwag kroop een giftige zebraslang rond, op de camping in Kamanjab was er net een andere gast door een spitting cobra in haar ogen gespuugd en andere kampeerders vonden een onbekend soort slang in één van hun tassen. Met die wetenschap loop je toch net wat minder relaxed rond op je teenslippertjes.

[photopress:DSC_4881_1.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_4891_1.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_4980_1.JPG,thumb,pp_image]
We vervolgden onze weg noordelijk, over een prachtige gravelweg waar we veel wild hebben gezien. Giraffen, zebra’s, springbokken; er liep van alles. Bij de hotsprings van Ogongo sloegen we ons kampje voor de nacht op. De hotspring bleek cold, maar was mooi en verfrissend na weer een dag stofhappen.

In Sesfontein zijn we naar het Duitse fort geweest, waar je je in koloniale tijden waant. Het fort is omgebouwd tot luxe lodge en meer dan een kopje koffie konden we niet betalen, dus we waren snel weer weg. Uiteindelijk hebben we gekampeerd bij een lokaal gerunde camping, waar we weer met Peter en Sabine afgesproken hadden.

Samen zijn we de Hoanib Vallei ingereden, waar, naast allerlei ander wild, veel woestijn olifanten leven. Uiteindelijk hebben we er maar één gezien, maar de trip was zeer de moeite waard. Een prachtige natuur en een, soms moeilijke, track door een droogliggende rivierbedding. We hebben op een mooi plekje langs de rivierbedding gekampeerd en zijn de volgende ochtend de vallei weer uitgereden. Vlak voor we weg wilden rijden spotte Duko een springbok en kwam zijn wildste droom uit; hij kon de Unimog uitspringen en keihard achter de springbok aanrennen totdat ‘ie echt niet meer kon en wij met een verrekijker moesten zoeken waar ‘ie was. Gelukkig kwam hij uit zichzelf weer terug; moe en voldaan. De springbok had ‘ie natuurlijk nooit te pakken gekregen.

Die dag zijn we in één keer naar Opuwo gereden wat door de slechte wegen een erg lange rit was. Maar eenmaal daar wachtte Peter en Nicole ons op en konden zij kennis maken met Peter en Sabine.
De volgende dag zijn wij met Peter en Sabine naar een Himba dorp geweest. De Himba’s zijn één van de zeer weinige volkeren dat nog behoorlijk traditioneel leeft. Ze dragen geen bovenkleding, wassen zich nooit (…) en smeren hun hele lichaam in met een mix van klei en boter. Ze leven alleen in Noord Namibië, samen met de Herero’s, aan wie ze verwant zijn.
Het was ontzettend interessant om deze mensen te ontmoeten en hun leefwijze te leren kennen. We voelden ons zo verschrikkelijk anders, net zoals bij de Masaai in Kenia. Mooi om te zien hoe verschillend een mensenleven kan zijn. En hoe hetzelfde ook weer. Want toen we op de terugweg nog even langs de supermarkt gingen, stonden er twee Himba’s in de supermarkt. Gewoon met de blote borsten achter de winkelwagen.

Die avond was erg geslaagd. Met z’n zessen fantaseerden we alvast hoe de aankomende tijd zou lopen en tegen welke problemen we aan zouden lopen. Uiteindelijk kregen we er ontzettend de slappe lach van, want ja, wat we gaan doen is ook wel erg heftig. Maar goed, we zullen het zien. De Oostenrijkse Peter houd vol dat het in Kameroen ‘bone-dry’ zal zijn.

Vanochtend zijn Peter en Nicole vertrokken naar de Epupa Falls en Peter, Sabine, Floris en ik naar Oshakati. Hier zullen Peter en Floris een constructie maken voor onze tweede reserveband en zodra we Peter en Nicole dan weer ergens tegen zijn gekomen, zullen we de grens over gaan. We kijken er naar uit!

GPS # S 17° 47.561′, E 15 ° 41.879′

Namibië – 3 mei 2008

Op 29 april is, geheel onverwachts, onze lieve hond Beau doodgegaan. Onze reislust en enthousiasme is even helemaal verdwenen. We missen hem ontzettend.

Tegelijk met Peter en Sabine kwamen ook Patrick en Annemarie terug in Windhoek. Het was weer mis met het pootje van Obi en ze moest een tweede maal geopereerd worden. Een grote tegenvaller dus.
Het weerzien met Peter en Sabine was erg leuk; we kregen alle vier extra veel zin in West-Afrika door er veel met elkaar over te praten. Na een paar dagen bijkletsen en barbecueën, besloten Floris en ik dat het tijd werd om Namibië te gaan verkennen.
Helaas werkte de dieseltank niet helemaal mee. Een heel verhaal, maar het kwam er op neer dat door prutswerk van het bedrijf waar we de tank hadden laten lassen Floris uiteindelijk vier keer de tank onder de Unimog uit heeft moeten sleutelen en weer terug heeft moeten zetten, voordat we klaar waren voor vertrek. Het woord ‘dieseltank’ ligt nu ook wat gevoelig bij Floris.

Maar Namibië blijkt een onbeschrijfelijk mooi land. Vanuit Windhoek zijn we recht naar het zuiden gereden, naar Keetmanshoop. Rondom dit stadje staan veel kokerbomen. De kokerboom is eigenlijk een aloë plant en stamt direct uit de oertijd. Hij dankt zijn naam aan de San (Bosjesmannen) die de holle takken van de boom gebruikten als kokers voor hun peilen.
Het verhaal van de San fascineert mij. Deze stam woonde in grote delen van Zuidelijk Afrika, maar zijn tijdens alle oorlogen en bezettingen bijna helemaal uitgeroeid. Ze schijnen de oudste stam ter wereld te zijn en met hun gele huidskleur, kleine gestalte en scheve, bijna Aziatische ogen, lijken ze niet in Afrika te horen. Ze vormen tegenwoordig de onderlaag van de maatschappij en werken voor een hongerloontje op een grote farm of wonen in een soort reservaten en zijn verslaafd aan de alcohol.

Vlakbij Keetmanshoop hebben we een farm bezocht waar ze een aantal cheeta’s hielden. De beesten hadden gelukkig flink de ruimte, zo’n tien hectare per cheeta, en waren daar, ieder afzonderlijk, als wees terecht gekomen. Uitzetten is moeilijk, volgens de eigenaresse, aangezien ze het vee van de boeren stelen en ze daarom afgeschoten worden zodra de boeren de kans krijgen. Het was erg bijzonder en ook wel eng dat we bij de cheeta’s in het hok mochten om ze van dichtbij te bekijken. De eigenaresse verzekerde ons dat cheeta’s hartstikke lieve beesten zijn en van nature niet agressief, maar wij vonden ze er toch erg wild en gevaarlijk uitzien.

[photopress:DSC_3506.JPG,thumb,pp_image]

Vanuit Keetmanshoop zijn we verder zuidelijk gereden, naar de Fish River Canon. Dit gebied is zo mooi, dat ik het niet op papier kan uitdrukken. Dit moet je gezien hebben. Vanaf de rand van de canon kijk je honderden meters de diepte in en om je heen alleen ruige bergen, zand, stenen en complete stilte.
De stilte is sowieso erg indrukwekkend in Namibië. Het land is zes of zeven keer groter dan Nederland en er wonen 2 miljoen mensen. En die wonen dan ook nog bijna allemaal in de stad of in het uiterste noorden van het land. Kortom, in Namibië is het stil. Plaatsjes op de kaart, waarvan je hoopt dat ze er een benzinestation, supermarkt, internetcafé en bank hebben blijken bij aankomst te bestaan uit drie huizen.

De Fish River Canon is het meest zuidelijkste punt van Namibië, dus vanuit daar rijden we weer in noordelijke richting. We hebben besloten om Zuid-Afrika te laten voor wat het is en dit betekend dat we vanaf nu officieel aan de terugreis zijn begonnen!

[photopress:DSC_3717.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_4155.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_4005.JPG,thumb,pp_image]

De Namib Desert strekt zich uit over de gehele westkust van Namibië en is enorm. Toeristen mogen op slechts een paar aangegeven zandweggetjes komen, als ze in het bezit zijn van de juiste permit. Voor de rest is er in het hele gebied niemand, op een paar honderd San’s na, die in pure armoede proberen te overleven in hun oude woongebied. De Afrikaners noemen ze ‘bittereinders’.
De toeristische trekpleisters van de Namib zijn de Sossusvlei, een zoutpan omringd door de hoogste zandduinen ter wereld en de kuststad Swakopmund. Wij wilden beiden bezoeken en begonnen onze tocht over het lange zandpad met links de Namib en rechts de gigantische farms die ieder uit honderden (soms wel duizenden!) hectares land bestaan.

En toen sloeg het noodlot toe. We hadden die nacht wild gekampeerd op een prachtige plek en waren, alle vier, in een prima humeur.
’s Middags, na een pauze, stond er een man langs de weg te liften die we meenamen. Ik ging achterin zitten bij de honden en zag dat Beau zenuwachtig heen en weer liep en aan het trillen was. Ik vroeg of Floris even wilde stoppen en toen ging het allemaal heel snel. Beau schoot in één of andere aanval en begon harder te trillen, te schuimbekken en had moeite met ademhalen. Alsof er nog niet paniek genoeg was, startte de Unimog niet meer (de dynamo was kapot) en konden we dus niet rijden. We waren zover van de bewoonde wereld dat, achteraf gezien, rijden helemaal geen zin had, maar op dat paniekerige moment leek het ons de enige mogelijkheid. Gelukkig kwam er op dat moment een jeep langsrijden die ons een stukje kon trekken, totdat de Unimog weer startte. Beau’s aanval werd intussen steeds heftiger, hij liet z’n plas en poep lopen en reageerde nergens meer op.
De lifter bleef achter bij de jeep en wij zijn in het wilde weg gaan rijden in de hoop ergens hulp te vinden. Maar het had geen zin. Ik zat achterin met Beau en na een paar kilometer riep ik naar Floris dat hij moest stoppen. Beau had een paar laatste stuiptrekkingen en toen hield zijn hart ermee op. Verbijsterd en van slag stonden we met z’n tweeën naar een dode Beau te kijken. Duko zat te janken in de Unimog en wilde niet naar buiten komen. Hoe kon dit nou gebeuren? Het leek een nachtmerrie waar we niet uit ontwaakten.
Huilend hebben we een gat gegraven op een mooie plek, met uitzicht op de Namib en daar hebben we Beau ingelegd. We hebben het gat dichtgegooid en zijn nog een lange tijd bij het graf gebleven.
Uiteindelijk zijn we doorgereden, want het had geen zin om daar te blijven. De volgende ochtend hebben we de Sossusvlei bezocht. Hoewel het een prachtige plek was, konden we er moeilijk van genieten. We besloten om ’s middags nog eenmaal terug te rijden naar Beautje’s graf om afscheid te nemen en dan definitief door te rijden.

Zo gezegd zo gedaan. Inmiddels is het vijf dagen later en zijn we in Swakopmund. Via internet zijn we erachter gekomen dat sommige boeren in Namibië gif (“Strychnine” oftewel rattegif) gebruiken tegen jakhalzen en dat de symptomen die ontstaan wanneer het gif gegeten word, erg lijken op Beau’s aanval. Maarja, we weten gewoon niet wat er gebeurd is en schieten er ook niks mee op om er naar te gaan raden. We proberen het hele gebeuren achter ons te laten.
Swakopmund is ‘Duitser dan Duitsland’, zoals de lonely planet het omschrijft en het is af en toe echt lachen om hier rond te lopen. Maar het strand is mooi en de camping ruim en rustig, dus we hebben besloten om hier een paar dagen te blijven. Langzamerhand wennen we aan het feit dat Beau er niet meer is en kunnen we zijn dood een plekje geven. Het is triest, maar zo is het leven.

[photopress:DSC_4000.JPG,thumb,pp_image]

Namibië – 14 april 2008

Straatverlichting, vuilniswagens, flitspalen, aangeveegde stoepen, werkende stoplichten, onderhouden gebouwen, geen gaten in de weg, apfelstrudel, Jagermeister, bloemperkjes. Ja, Windhoek, das ist richtige Deutsche sauberkeit!

Annemarie en Patrick wilden ook graag het Khama Rhino Sancturary bezoeken, dus besloten we er samen heen te rijden en de honden in onze Unimog achter te laten op de parkeerplaats. Zo konden we toch nog genieten van de indrukwekkende neushoorns met hun enorme konten en verder van allerlei andere dieren die ook in het park rondliepen. Vanaf het dak van Annemarie’s en Patrick’s Unimog keken we over de begroeiing heen en hadden we echt een fantastisch uitzicht.

Aangezien we vanuit het Khama Rhino Sancturary naar Maun zouden rijden waar we de grens naar Namibië konden oversteken, lagen de zoutpannen op de route. En ja, driemaal is scheepsrecht, dus we probeerden gewoon nog een keer om er overheen te rijden. Met de informatie die we aan verschillende mensen hadden gevraagd, konden we vrij weinig. Dit is ons al eerder opgevallen tijdens onze reis; vraag aan een willekeurige Afrikaan een routebeschrijving, de afstand naar de volgende stad of de conditie van de weg en je krijgt eigenlijk nooit een duidelijk antwoord. We vonden gelukkig een informatiecentrum van Kubu Island en daar konden ze ons vertellen dat de pannen genoeg opgedroogd waren om er overheen te rijden.
En het was echt alle moeite waard! Een prachtige rit door de Bush en over de pannen, met als enige tekenen van leven wat koeien en ezels of een boerderijtje van hout en koeienstront. Op het eiland ontmoette we Whisky, de opzichter, die ons een extra nachtje gratis liet kamperen, waar wij als Nederlanders natuurlijk erg blij van werden.

De hele weg naar Maun was erg eentonig; een snelweg door vlak savannegebied. Eenmaal in Maun konden we kamperen op een enorm terrein van een hotel, waar Annemarie en Patrick al eerder waren geweest. Een nieuwe permit voor de honden om Namibië in te komen konden we zonder problemen krijgen en na veel kilometers en een nachtje wildkamperen, stonden we alweer aan de grens met Namibië.

Van Namibië hebben we nog niet veel gezien, we zijn eigenlijk direct, in twee dagen, naar Windhoek gereden, waar we op een backpakkers net buiten het centrum van de stad staan.
Windhoek is een bijzondere stad, in de zin dat het zo ontzettend schoon, modern en niet-Afrikaans is. Doordat er opvallend veel zwarte mensen op straat lopen en je een uur moet wachten bij de kassa, weet je dat je nog steeds in Afrika bent. Voor de rest waan je je eerder ergens in Duitsland.
Gisteren zijn Annemarie en Patrick weer hun eigen weg gegaan. We hebben nog een paar dagen samen kunnen doorbrengen in de stad. Ik heb heerlijk kunnen shoppen met Annemarie. Eindelijk eens niet met iemand die na twee winkels geen zin meer heeft of alleen naar de praktische doe-het-zelf zaken wil!
Het hondje van Annemarie en Patrick had al twee weken last van haar achterpootje en kon in Windhoek gelukkig naar een fatsoenlijke dierenarts. Daar werd een uitgerekte knieband geconstateerd en Obi moest geopereerd worden… Dat was schrikken, daar weten wij alles van! De operatie verliep prima en Obi was al snel weer in normale, zeer actieve staat. Ze zal nog een aantal weken hinkepinken, maar het ziet er gelukkig naar uit dat alles goed komt!
Op de backpakkers logeerden ook een Duits stel, Katja en Melv, die met een gehuurde Kever door Zuid-Afrika en Namibië aan het rondtrekken waren. Met z’n zessen zijn we uit eten geweest bij een restaurant dat door velen aangeraden werd, maar wat wij tegen vonden vallen. Maargoed, de biertjes en Jagermeisters smaakten wel goed en de avond was erg gezellig. De volgende ochtend hebben we Annemarie, Patrick en Obi en Katja en Melv uitgezwaaid. De drie weken samen reizen met Annemarie en Patrick waren echt heel leuk. Het is grappig dat je hier, ‘in den vreemden’, zomaar mensen kunt tegenkomen en uiteindelijk weken samen optrekt.

Floris en ik zijn op het moment druk met voorbereidingen voor West-Afrika. We hebben een visum voor Angola kunnen regelen (63 euro p.p.), met behulp van de vriendelijke man van het Nederlandse consulaat. Hij heeft een brief voor ons geschreven en gebeld, anders hadden we alleen een visum voor Angola in Nederland kunnen regelen. Verder zijn we bezig met een visum voor DRC (58 euro p.p.) en voor Kongo (41 euro p.p.), want we vinden het prettig om die alvast op zak te hebben, zodat we in die landen niet voor verassingen komen te staan.

Over een paar dagen komen Peter en Sabine naar Windhoek, onze ‘brothers in crime’ voor Angola, DRC, Kongo, Gabon, Kameroen en Nigeria. Met hun kunnen we een route en tijdsplanning maken, waarnaar we weer ieder onze eigen weg gaan. In juni zullen we elkaar dan weer treffen in noord Namibië.

Floris en ik zijn niet meer zo zeker van Zuid-Afrika. We hebben niet genoeg geld en tijd om heel Zuid-Afrika te zien en alleen naar Kaapstad betekend meer dan drieduizend kilometer heen en terug. Misschien blijven we wel gewoon in Namibië, waar enorm veel te zien en te doen is. Eén dezer dagen maken we een planning. Die dan waarschijnlijk totaal anders zal uitpakken…

GPS # S 22° 33.377′, E 17 ° 4.545 ‘

Botswana – 30 maart 2008

Het leuke aan een reis als de onze is dat je best kan plannen, maar dat het uiteindelijk toch weer helemaal anders loopt.

Van Tom en Janey hadden we gehoord dat de zoutpannen, in het noordoosten van Botswana, geweldig zijn om overheen te rijden, dus dit was onze eerste stop. Botswana is wild en tijdens onze rit vanaf de grens naar Nata zagen we regelmatig olifanten, buffels en antilopen langs de weg staan. Op een gegeven moment werd het zelfs normaal: “He kijk, een olifant.” “Oja, mooi”.
Net na Nata zou er een track naar Kubu Island gaan, een rots eiland met baobab bomen, midden op de zoutpannen. De track verdween na 20 meter in een enorm meer en toen begonnen we al nattigheid te voelen. We besloten om door te rijden naar de camping ‘Planet Baobab’, om daar eens te informeren naar ‘de beste route’. De camping was prachtig, maar we begrepen al snel dat we de zoutpannen wel konden vergeten; het was nog veel te nat. De eigenaar van de camping kwam met verhalen van trucks die tot hun assen in de modder vast kwamen te zitten en pas maanden later (in het droge seizoen) eruit getrokken konden worden. En dan is je voertuig al zo aangevreten door het zout, dat je hem eigenlijk net zo goed kan laten zitten. Horrorbeelden kwamen op ons netvlies van ons trouwe Unimogje, aan het wegroesten op een verlaten zoutvlakte, moederziel alleen….
We gooiden onze plannen om en hebben een dagtripje gemaakt naar de rand van de zoutpannen. Een superleuke dag, lekker rondgecrosst over amper zichtbare tracks en door modderpoelen. We zijn zelfs voor het eerst vast komen te zitten, wat we stiekem allebei wel erg leuk vonden. We zijn langs ‘Chapmans Baobab’ gekomen, een boom met een omtrek van zo’n 20 meter en voelden ons erg klein. De zoutvlakte was, aangezien die nog half onder water stond, minder spectaculair dan verwacht, maar de hondjes hebben daar wel lol gehad. Met z’n tweeën door het zout, water en de modder rennen, totdat ze allebei bedekt in een witte smurrie terugkwamen. (En binnen op de bank gingen liggen…)

Vanuit Planet Baobab zijn we via Rakops naar het zuiden van de zoutpannen gereden, om vanuit daar nogmaals te proberen bij Kubu Island te komen (we zijn volhouders!). Helaas kwamen we erachter, na 50 kilometer wasbordweg, dat ook aan deze kant de zoutpannen nog gedeeltelijk onder water stonden.

Door naar het Khama Rhino Sancturary, waar de laatste groep witte en zwarte neushoorns van Botswana wonen. En op het moment hebben ze kleintjes! Ook dit bezoek liep uit op een teleurstelling; we kwamen er niet in met de honden en er was ook geen camping in de buurt van het park.

Balend reden we verder en besloten naar het oosten te rijden en bij Martin’s Drift de grens naar Zuid-Afrika over te steken. We hebben gewoon niet zoveel geld meer om heel Botswana door te rijden en in Zuid-Afrika hadden we al een hele route uitgestippeld waarbij we hele mooie plaatsen zouden aandoen, die niet veel geld kostten. Daar hadden we echt zin in en bovendien is Zuid-Afrika het zuidelijkste land waar we heengaan. Een mijlpaal!

Maar we mochten het land niet in… Nouja, we mochten er wel in maar dan moesten de honden in quarantaine in Johannesburg wat ons 1200 USD zou kosten en een hoop gedoe. Daar hadden we echt geen zin in. Van andere reizigers met honden hebben we nooit over deze problemen gehoord, maar wij hadden gewoon de pech een overijverige ambtenaar te treffen. De hondenpaspoorten, waar een officiële gezondheidsverklaring en alle vaccinaties instonden (nog maar drie maanden geleden hebben ze hun jaarlijkse prikken gehad en een nieuwe rabiës vaccinatie die in Europa niet eens nodig is) maakten ook geen verschil. De ambtenaar was wel zo aardig om ons te tippen over een kleine grensovergang, 100 kilometer verderop, waar ze niet moeilijk deden. Vol goede moed reden we daar heen, na zeker een uur praten aan de eerste grens. Bij de tweede grens werden we er door de politie uitgepikt; de ambtenaar van de eerste grens had gebeld dat we niet doorgelaten mochten worden! Waarom laat hij het ons dan eerst proberen??!! Aaahhhh!! We kwamen ook nog eens flink in de problemen, want de ambtenaar aan de tweede grens die ons een visum had gegeven, pikte het niet dat wij zonder iets te zeggen zíjn grens over probeerden te komen en werd ontzettend boos. Er staat nu een enorme streep met ‘canceled’ door ons visum en hij heeft een aantekening op onze naam gemaakt.
Drie uur later waren we weer terug bij de eerste grens, maar de betreffende ambtenaar was natuurlijk net naar huis. Na nog een half uurtje proberen, zijn we afgedropen en hebben een slaapplekje gezocht op een camping aan de Botswaanse grens. Het was inmiddels donker en na een hele dag heen en weer rijden en dealen met grensautoriteiten, zaten we er goed doorheen. Gelukkig was er nog een lichtpuntje die dag; op de camping stonden Patrick en Annemarie (www.hondjeafrika.nl), een supergezellig Nederlands stel,ook op reis met Unimog en hond! Bij hun konden we even lekker spuien, onder het genot van een koud biertje.
Patrick en Annemarie lieten ons hun travelpermit voor hun hondje zien, dat ze in Botswana bij een dierenarts hadden gekregen. Hierop stond dat hun hondje gezond was verklaard en mocht reizen in Namibie, Botswana en Zuid-Afrika. Wij hadden nog nooit van zo’n permit gehoord, maar besloten de volgende ochtend teug te gaan naar de grens om te vragen of wij, met zo’n zelfde permit, de grens over mochten. Ze vertelden ons dat alleen honden uit één van die drie landen recht hadden op zo’n permit en wij konden dus weer ophoepelen.
Redelijk uit het veld geslagen keerden we terug naar de camping. Zuid-Afrika is off, tenminste voorlopig, want we gaan het vanuit Namibie gewoon weer proberen. We willen verdorie naar Zuid-Afrika!!

Aangezien we zelf geen idee hadden wat we zouden gaan doen en het goed klikte met Patrick en Annemarie, leek het ons leuk om een stuk samen te gaan reizen. Onze eerste stop was Papalaye, waar Floris en ik een travelpermit voor de honden hebben geregeld. We kunnen nu zonder problemen door Botswana reizen, maar moeten weer een andere permit halen om Namibie in te komen.
Vanuit Papalye zijn we richting Tuli-Block gereden, waar we het Stevensford Game Reserve hebben bezocht. Wat betreft wildlife viel dit wat tegen; we hebben alleen eekhoorns, hertjes en wilde zwijnen gezien. Een beetje de Hoge Veluwe dus. We hebben wel heel mooi kunnen kamperen aan de Limpopo rivier, een natuurlijke grens tussen Botswana en Zuid-Afrika. Hier kwam Floris op het idee om de honden, met behulp van Patrick en Annemarie, de rivier over te loodsen,om vervolgens zelf de officiële grensovergang te nemen. Tja, het zou kunnen werken, maar ik ben niet zo’n cowboy en durfde het niet aan.

Inmiddels zijn we al een paar nachten aan het wildkamperen en op het moment staan we echt op een prachtig plekje aan een meer, ergens ten noorden van Selebi-Phikwe. Floris kan zijn hart ophalen bij een andere echte Unimog man en ook Beau en Duko zijn goede vriendjes geworden met Obi, een boerenfox.
Met Beau gaat het trouwens ontzettend goed. Hij is weer helemaal de oude en we kunnen er dus vanuit gaan dat de parasieten die de slaapziekte veroorzaakte, uit zijn lichaam zijn. Een hele opluchting!

GPS # S 21° 50.214 ‘, E 27 ° 44.472’

Botswana – 17 maart 2008

Daarnet juichend in de supermarkt gestaan omdat de producten weer betaalbaar waren. Zambia is, naast een heleboel, vooral erg duur.

Met toch wel een brok in onze keel reden we twee weken geleden weg bij Mabuya Camp. Na zo’n lange tijd, een super goede sfeer en onze werkzaamheden waardoor we erg betrokken raakte bij het camp, is het ronduit kut om afscheid te nemen. Met Tom en Janey houden we zeker contact en aan alle andere mensen en gebeurtenissen houden we tenminste hele goede herinneringen over.

Het binnenkomen van Zambia is een plezierige ervaring als je een geldboom op je rug hebt groeien. Helaas is dat bij ons niet het geval en hielp onze ‘smoothtalk’, gevolgd door een bijna woedeaanval van Floris en een smeekbede van mij ook niet. We moesten ieder 50 USD betalen voor een visum, opnieuw 40 USD carbontax en tenslotte nog 20 USD voor een autoverzekering.
Berooid en chagrijnig vervolgden we onze weg naar Chipata om daar te overnachten.

We hebben besloten om wat vaart in onze reis te maken, aangezien we de afgelopen acht maanden in alleen Tanzania en Malawi hebben doorgebracht. Daarnaast hebben we zowaar een plan gemaakt voor onze resterende tijd in Afrika. We willen vanaf nu tot aan half juni Botswana, Zuid-Afrika en Namibië verkennen en dan via de westkust omhoog gaan rijden, terug naar Nederland. Aangezien Angola, DRC, Congo en Nigeria niet de gemakkelijkste en zeker niet de veiligste landen zijn om doorheen te rijden, hebben we met Sabine en Peter (de Oostenrijkers in de Mercedes truck) afgesproken om dit stuk samen te doen. Het meetingpoint is ergens in Namibië. We hebben echt onwijs zin in deze spannende missie, in vele opzichten een stuk moeilijker dan de oostkust.

Maar voorlopig is het nog niet zover en kunnen we nog genieten van alle faciliteiten en voorzieningen die het toeristische Zuidelijk Afrika te bieden heeft.
In Zambia was ons enige doel de Victoria Falls, waar we eigenlijk in een rechte lijn naar toe zijn gereden. Het heeft in dit jaargetijde, met alle regens, ook niet zoveel zin om wildparken te bezoeken: de dieren verstoppen zich in het groen en veel wegen zijn onbegaanbaar.
De Victoria Falls zijn aan het einde van het regenseizoen echter zeer, zeeeer indrukwekkend. Deze waterval is 1,7 km lang, 108 meter hoog en toen wij er waren stroomde er zo’n 10 miljoen liter water per seconde naar beneden… Soms is de nevel van de waterval tien kilometer in de omtrek te zien en te voelen. Wij stonden op een voetgangersbruggetje, op tien meter afstand en dat geeft dus het effect van een wasstraat. Binnen een paar seconden ben je echt doorweekt tot aan je onderbroek en dit gecombineerd met het uitzicht en het gedender van het water is echt een ongelofelijke ervaring! Het is jammer dat je het niet kan vastleggen op camera, vooral de gillende Japanse toeristen, in vijfentwintig dezelfde kanariegele regenponcho’s, zijn erg grappig.
Uiteindelijk zijn we een klein weekje in Livingstone, het stadje bij de watervallen, blijven hangen. We hebben weer leuke mensen ontmoet; Ronald en Malike, die met een Landrover van Kaapstad naar Rotterdam rijden (www.capetown2rotterdam.nl) en waar we veel informatie mee konden uitwisselen. Met een Ier, een Australiër, een Nieuw-Zeelandse, een Zuid-Afrikaan, twee Zimbabwanen en een Belg, allemaal toevallig ontmoet, zijn we een avondje in een lokale kroeg beland en daar weer behoorlijk dronken uitgekomen.

Vandaag zijn we, na nog een laatste mislukte poging van de Zambiaanse autoriteiten om ons geld af te troggelen, de Zambezi rivier overgestoken en Botswana ingereden.
Tot nu toe is alles perfect in Botswana; een gratis visum, slechts 14 USD wegenbelasting en geen verplichte autoverzekering (die we dus ook niet afgesloten hebben, want een autoverzekering hier is totale onzin: als het puntje bij paaltje komt betaal je toch voor alles zelf). Het enige waar ze hier moeilijk over doen is het binnenbrengen van dieren, wat we opgelost hebben door de honden te verstoppen. Nu kan je je afvragen hoe je twee honden van ieder 30 kilo verstopt in ons Unimogje, maar het is ons gelukt. We hadden de doorgang naar de cabine gebarricadeerd en alle gordijnen gesloten, tot grote frustratie van Duko, die altijd tussen ons inzit om naar de loslopende geiten, kippen, honden en vooral bavianen te kunnen kijken en het heerlijk vind om met z’n kop uit het raam te hangen. En verder was het een kwestie van hopen dat er niemand binnen wilde kijken.

Voor vannacht staan we op een camping ergens in de bushbush en horen we het getrompetter van olifanten vlakbij. Al die machtige dieren waar je af en toe gewoon tussen leeft, blijft toch echt een geweldig gevoel geven…

GPS # S 17° 47.785 ‘, E 25 ° 13.323’

Malawi – 5 maart 2008

En toen stonden we zomaar ineens op Schiphol….

De laatste weken werken op Mabuya Camp gingen prima. We kregen een zekere routine te pakken, waardoor de dagelijkse werkzaamheden steeds beter verliepen. Met het personeel hebben we echt een leuke band op kunnen bouwen. Vooral de meiden achter de bar, de chauffeur/monteur en de chefs in de keuken hebben ons enorm goed geholpen met ons werk.
Buiten ons werk gebeurden er echter een aantal vervelende dingen waardoor alles heel anders verliep dan we hadden gepland.

In de eerste plaats werd ons ‘zorgenhondje’ Beau weer ziek. De dierenarts constateerde de tekenziekte en gaf hem hiervoor een behandeling (met Imizol). Hier reageerde hij goed op en we dachten dat het probleem opgelost was. Na een aantal dagen ging het echter weer helemaal mis en had hij op een gegeven moment zo’n hoge koorts dat we voor zijn leven vreesde. Na een bloedonderzoek bleek Beau de slaapziekte te hebben opgelopen, een zeer ernstige ziekte voor zowel mens als dier die verspreidt wordt door de tseetsee-vlieg. De dierenarts had hier gelukkig een medicijn tegen die zij direct toediende. Helaas bestaat er een kans dat de parasiet resistent is tegen dit medicijn en de behandeling zal overleven. Dit zal in een paar weken moeten blijken.

Op 19 februari kreeg ik het vreselijke bericht vanuit Nederland dat mijn oma Samuels was overleden. Ik voelde direct een sterke behoefte om in Nederland te zijn zodat ik het verdriet met mijn familie kon delen en afscheid kon nemen van mijn oma. De verzekering dekte een retourticket voor zowel mij als Floris en Tom en Janey zouden de 24ste al terug komen, dus het was mogelijk om daadwerkelijk naar Nederland terug te vliegen en aanwezig te zijn bij de uitvaart.
In een paar lange en supervermoeiende dagen regelden we een oppas voor de honden (Manon!), alle benodigdheden en extra diensten voor Mabuya, aangezien we een dag eerder zouden vertrekken dan dat Tom en Janey terug zouden komen en hadden we ook nog ons gewone werk en de zorg voor Beau.
Zonder tijd te hebben gehad om na te denken over ons bezoek aan Nederland, stapte we op 23 februari in het vliegtuig.
De volgende ochtend werden we op Schiphol opgewacht door mijn zussen en verdwaasd stapten we in de auto. Het was fantastisch om iedereen weer te zien, maar ook heel erg raar. Alsof het een droom was.
De mis en de crematie waren mooi en de hele familie vond het ontzettend fijn dat wij er bij konden zijn. Voor ons zelf voelde het ook goed.
Na de dag van de crematie hadden we nog twee dagen voordat we terug naar Malawi zouden vliegen. Nog even tijd om wat vrienden te bezoeken en tijd door te brengen met familie. Het is nu moeilijk te beschrijven hoe die dagen waren. Erg druk, koud (god, wat was het koud in Nederland!), maar ook ontzettend leuk en gezellig.
’s Avonds, de 27ste, stonden we alweer op Schiphol om terug te vliegen naar ‘huis’. Want ja, na die paar dagen beseften we allebei dat ons leven in Afrika, met ons huisje op wielen en onze twee honden, toch echt is wat we willen en dat we in Nederland op dit moment niet op onze plek zijn. Tijdens de terugreis hebben we vooral geslapen en ons geërgerd aan alles en iedereen, gewoon omdat we zo moe waren.
Eenmaal terug op Mabuya Camp leek het na tien minuten alsof we helemaal niet weg waren geweest en alsof we over het bezoek aan Nederland alleen hadden gefantaseerd. Toch had ik een paar dagen nodig om deze ‘fantasie’ te verwerken.
Met Beau ging het gelukkig erg goed. Manon had heel goed voor hem gezorgd en hij was weer alert en vrolijk. Manon is trouwens niet zomaar iemand, maar een Nederlands meisje die in haar eentje op een tractor van Nederland naar de Zuidpool rijd. Ze heeft een website (www.tractortractor.org) en ze heeft een boek geschreven (Op een tractor naar de Zuidpool). Mocht je nog een mooie droom hebben, die je graag vereeuwigt ziet op de Zuidpool, neem dan contact met haar op!!

Ook het weerzien met Tom en Janey was erg leuk. Ze hadden een geweldige tijd gehad in Engeland en we hadden natuurlijk een hoop te bespreken.

Wat betreft Beau is het afwachten. Hij heeft een tweede bloedonderzoek gehad en er zijn geen parasieten gevonden in het bloed. Dit hoeft echter niet te betekenen dat de parasieten uitgeroeid zijn; die kunnen zich ook verstoppen in bijvoorbeeld het beenmerg of de hersenen. Over een aantal weken moeten we hem weer testen en als er dan niks gevonden wordt, dan is het goed. Worden er wel weer parasieten gevonden, dan moet hij opnieuw behandelt worden. We hebben gelukkig het juiste medicijn voor deze tweede behandeling kunnen vinden bij een laboratorium in Lilongwe. Er is een kleine kans dat de parasieten ook voor dit medicijn resistent zijn en dan is er niks meer te doen voor Beau. Maar hier gaan we natuurlijk niet van uit!

Op het moment zijn we druk met de voorbereidingen voor vertrek. We hebben een nieuw verenpakket meegenomen vanuit Nederland die Floris de afgelopen dagen ingebouwd heeft. De oude veren waren hun veerkracht kwijt en het totaalgewicht waar we mee rondrijden is erg groot. De nieuwe veren zijn dikker zodat we meer ‘veerruimte’ hebben en hopelijk geven ze nog wat meer stabiliteit. Daarnaast zijn we druk met andere klusjes aan en in de unimog, zoals het verplaatsen van één van de accu’s, het dichtlassen van een scheurtje in de brandstoftank, het repareren van de afvoer, het ordenen van de complete chaos in de kastjes binnen en een grondige schoonmaakbeurt.
Zodra we klaar zijn zullen we een klein afscheidsfeestje geven voor alle leuke en lieve mensen die we hier hebben leren kennen en dan taaien we af richting Zambia. Echt fantastisch om straks weer ‘on the road’ te zijn!

Malawi – 6 februari 2008

Oudejaarsavond was leuk! Al, de Amerikaan uit Dar es Salaam en Dolors, onze reizigersvriendin, waren naar Lilongwe gekomen om met ons het nieuwe jaar in te feesten. Al had besloten om per openbaar vervoer te reizen en na zo’n dertig uur lang van minibus naar touringbus naar minibus naar fietstaxi naar touringbus naar minibus overgestapt te zijn, stond hij dan om 10 uur s’avond eindelijk op het busstation van Lilongwe. Het had geen zin meer om op die tijd nog ergens heen te rijden, dus zijn we op Mabuya Camp gebleven. Erg goede beslissing, want een erg leuk feestje met een diverse groep mensen van over de hele wereld.
Peter en Sabine waren er, het Oostenrijkse stel dat we, gezellig genoeg, maar blijven tegenkomen. Het Nederlandse gezin bestaande uit Kees, Jacobine, Pieter, Janne en Stijn (www.afri-kasa-fari.nl) waren er ook. We hebben hun in 2006 ontmoet tijdens een overlandersweekendje in Nederland. Zij zijn ongeveer tegelijk met ons vertokken en via West-Afrika naar beneden komen rijden. Vanuit Zuid-Afrika zijn ze een aantal maanden geleden begonnen aan de terugreis, vergelijkbaar aan onze route. Floris en ik hebben kwijlend in ‘Kasa’ gestaan, de ‘superperfecte met alles wat je nodig hebt aan boord Mercedes truck’ waar het gezin mee reist. De kids hebben een eigen slaapkamer en de truck heeft een dubbele cabine waar je makkelijk met vijf personen kan zitten. Ietwat teleurgesteld keerden we terug naar ons miniatuur Unimogje waar we niet in kunnen staan en met opgetrokken knieeen voorin moeten zitten. Nouja, wie het kleine niet eert….
Met Kees, Jacobien, de kids, Peter en Sabine, Tom en Janey, vrienden van Tom en Janey, Al en Dolors en nog een heel stel gasten, hebben we echt een goede jaarwisseling gevierd!

[photopress:HPIM3173.JPG,thumb,pp_image] [photopress:DSC_0141.JPG,thumb,pp_image] [photopress:HPIM3179.JPG,thumb,pp_image]

Na een weekje, toen Al weer vertrokken was naar Dar es Salaam (ditmaal per vliegtuig) en Dolors haar reis voort had gezet in Zuid-Afrika, begon voor Floris en mij de inwerkperiode op Mabuya. Erg leuk om allemaal nieuwe dingen te leren, maar in het begin ook best zwaar. We zijn er inmiddels te erg aan gewend dat we precies kunnen doen wat we willen en geen verplichtingen hebben. Werken? Wat was dat ook al weer?

Inmiddels zitten Tom en Janey al twee weken in Engeland en houden wij de tent goed draaiende. We zijn nog niet zo ervaren dat alles vlekkeloos verloopt en moeten soms tien minuten voor sluitingstijd naar de winkel scheuren voor extra bier. Maar het werk ligt ons goed en de gasten zijn tevreden.
Er komen hier over het algemeen leuke mensen. Veel backpakkers van onze leeftijd met een low-budget en een open reisschema. Met hen kunnen we veel reistips uitwisselen en gezellig wat drinken. Zo zijn we elke dag wel van s’ochtends tot s’avonds in de weer met van alles. Boodschappen doen, nieuwe gasten ontvangen, de boekhouding bijhouden, achter de bar staan, telefoontjs aannemen, checken of het personeel z’n werk nog een beetje doet en ga zo maar door. Dit alles kan over het algemeen op een relaxte manier gebeuren, niet vergelijkbaar met de Hatari Lodge, waar stress en perfectie de sleutelwoorden waren.

Naast het runnen van het camp hebben we ook de zorg over drie extra honden. Alf, het hondje van Tom en Janey die ze mee hadden op reis vanuit Engeland. JJ, een grote en veel te dikke herder-kruising die Tom en Janey gratis bij het camp kregen. En tenslotte Dash, een echte Afrikaanse straathond, gered uit een lokale truck waar hij als pup terecht was gekomen. Beau en Duko hebben zich aangesloten bij de ‘gang’ en met z’n vijven maken ze het ons af en toe knap lastig. Vooral met Dash, onmogelijk om te trainen en volstrekt ongeschikt als huisdier, is het lachen. Iedere dag heeft hij wel iets gesloopt, hij jat het wasgoed van de gasten en we zijn er achter gekomen dat hij s’nachts de deur naar de dorms openmaakt en in één van de dormbedden gaat slapen. Alf is de paniekzaaier, die heeft buien dat hij naar alles en iedereen blaft die langskomt. Opsluiten is moeilijk, want hij is een kei in ontsnappen. Verder is hij boos dat Tom en Janey hem achter hebben gelaten en eist hij nu dat hij bij ons in de Unimog mag. JJ is gelukkig een hele brave hond en de absolute leider. Hij helpt ons goed om het hele zooitje een beetje in toom te houden.

De tijd gaat snel en over een paar weken zullen we alweer verder gaan rijden. Nu nog even bedenken waarheen.